The Next Promise of Design

Een tentoonstelling, een lezing, een debat, een publicatie en een prijsuitreiking. Nederland wordt als vormgevingsland in het kader van de Rotterdamse Designprijs door nationale en internationale critici onder de loep gelegd. Afgelopen 29 november kwamen de verschillende onderdelen bij elkaar onder de noemer ‘The Next Promise of Design’.

Een internationale jury bestaande uit Alice Rawsthorn (designcritica International Herald Tribune), Rick Poynor (auteur en designcriticus) en Patrizia  Moroso (artistiek directeur Moroso) koos een winnaar uit tien inzendingen die waren geselecteerd door de Nederlandse nominatiecommissie. Om een ‘next promise’ aan te wijzen had de jury paradoxaal genoeg keuze uit een aantal oude bekenden. Koninklijke Tichelaar Makkum, Makkink & Bey, Joost Grootens, Wieki Somers, Gorrilla en Christien Meindertsma zijn immers niet meer zo ‘next’.

Grootens de grootste

De atlassen van Joost Grootens
De atlassen van Joost Grootens

De internationale jury liet zich echter niet afleiden door de al dan niet bekende namen. Zij koos voor het beste werk en vond de ‘next promise’ in de persoon van Joost Grootens. De winnaar werd in de stijl van Osama Bin Laden bekend gemaakt middels een videoboodschap. Die boodschap werd ingesproken door Peter van Ingen, voorzitter van de nominatiecommissie. Onder luid applaus en instemmend gejoel om deze grap riep Van Ingen Alice Rawsthorn op om de prijs uit te reiken aan een overdonderde Joost Grootens. De publieksprijs ging naar de vijf ontwerpers die samen onder de naam Gorilla spot- en politieke prenten maken.

Grootens kreeg de prijs voor zijn serie bijzondere atlassen. Die boeken zijn in tegenstelling tot veel andere designstukken bruikbaar, betaalbaar, in grote oplage te produceren en ongelooflijk aantrekkelijk en fijnzinnig vormgegeven. Als grafisch ontwerper is Grootens autodidact, hij was eerder werkzaam als architect. Dat verklaart zijn belangstelling voor stedenbouw en het visualiseren van plannen en gerealiseerde projecten. Zoals Hugues Boekraad in het nominatierapport schrijft, zijn de regels en de conventies van de atlas als genre de uitkomst van een eeuwenlang proces van experimenteren, innoveren en consensusvorming onder geleerden, drukkers en ontwerpers/tekenaars. Grootens vernieuwde dat genre omdat hij aan de kaarten tal van andere data en statistische informatie toevoegt. Zo kunnen we in de Vinex Atlas luchtfoto’s van de Vinexlocaties vergelijken met stedenbouwkundige plattegronden en valt er uit de toegevoegde infographics van alles op te maken over woningtypen, grondgebruik en bebouwingsdichtheid. Aan de hand van Grootens navigatiesysteem wordt de atlas een visuele ontdekkingsreis. Interessant en intrigerend is ook dat hij visuele indexen maakt. Met zijn kleurkeuze voor wit, metallic blauw en fluorescerend oranje, in bijvoorbeeld de Metropolitan World Atlas gewijd aan wereldsteden, is hij eigenzinnig. Maar Grootens is er niet op uit om recalcitrant te zijn of zichzelf te manifesteren.

Jammerlijke presentaties

Er dongen wel meer vernieuwende en maatschappelijk betrokken projecten mee, maar geen enkele inzending was zo professioneel, subtiel en de verbeelding stimulerend als die van Grootens. In sommige gevallen lag de betrokkenheid er zo dik bovenop dat het storend werkte. Jair Straschnow en Gitte Nygaard ontwierpen banken, tafels en postbussen voor straatkinderen in het Afrikaanse Durban. In hun toelichting laten de ontwerpers weten dat de kinderen door die postbussen een eigen plek krijgen en tegelijkertijd de bevolking er aan herinnert dat veel jonge kinderen zonder thuis en zonder geld op straat zwerven. Het geheel doet nogal Foster Parentsachtig aan, waardoor de vormgevingskwaliteiten lastig te beoordelen zijn. Die postbusjes op een troosteloos Afrikaans achterafveldje zijn me iets te jammerlijk.

Hetzelfde geldt voor de koepelvormige ‘sportdomes’, ofwel voetbalkooien, voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Net als de Durban-postbusjes is het ontwerp op zichzelf niet slecht. Gezien de gestelde opdracht (het project werd niet door de ontwerpers zelf geïnitieerd) is het een interessant ontwerp dat in de context van het maatschappelijke dilemma wel degelijk betekenis kan hebben en een bijdrage kan leveren aan het welzijn van de gebruikers. Ook is het project goed doordacht qua materiaalgebruik, vormkeuze en mogelijkheden binnen het gestelde budget en de opgegeven criteria. Wat wringt is de presentatie van zulke projecten in een museum. Ontdaan van de rauwe werkelijkheid waar de gebruikers van deze ontwerpen mee te maken hebben, vallen ze nogal uit de toon en komen ze niet tot hun recht. De gevangeniskoepel is niet te beoordelen aan de hand van een esthetische foto. Ook een andere genomineerde, de sleepboot van Damen Shipyard, stelt de bezoeker die niet thuis is in de ingenieurstechnische inzichten die nodig zijn om zo’n vaartuig op woeste zee en bij windkracht tien te laten functioneren, voor raadsels.

Hoe dan ook, de tijd van dure design-art stukken in kleine oplagen lijkt duidelijk voorbij. Ontwerpers zoeken naar manieren om bij te dragen aan oplossingen voor de problemen waar de wereld mee worstelt, zoals individualisering en mondialisering. De onthechting die dit met zich meebrengt ten aanzien van de oorsprong van producten wordt door meerdere ontwerpers als een gemis gevoeld en als motief aangehaald. Ontwerpers als Christien Meindertsma en Atelier NL zoeken het antwoord in transparantie, kleinschaligheid en lokale middelen en tradities. Het op zichzelf boeiende onderzoek van Atelier NL naar plaatselijke kleisoorten is echter tenenkrommend gepresenteerd in een onbeschaamd folkloristische setting met de pretentie van een kunstinstallatie. Bij Meindertsma zijn de concepten die ten grondslag liggen aan haar ontwerpen subtieler aanwezig en intelligenter uitgewerkt.

Alice in Ecoland

Alice Rawsthorn en Joost Grootens, foto Fred Ernst
Alice Rawsthorn en Joost Grootens, foto Fred Ernst

Bij zo’n prijs vallen altijd vraagtekens te zetten, maar daar had Alice Rawsthorn geen last van. De internationaal befaamde designcritica is nog altijd buitengewoon te spreken over de Nederlandse vormgeving zoals bleek uit haar lezing waarin ze in razend tempo de krachten en mogelijkheden van design de revue liet passeren. Aan de hand van de vijf E’s stelde ze de diagnose van het huidige designklimaat. Die staan voor Ethics, Environmental, Everyone, Experience en Empowerment. Met enkele plaatjes en zonder enig bekend designobject overtuigt Rawsthorn haar publiek ervan dat dit de actuele thema’s zijn in de hedendaagse vormgeving. De economische en ecologische crises waar de wereld onder lijdt, ziet zij als een situatie die mogelijkheden biedt voor design. Historisch gezien heeft design altijd enorme oplevingen gekend in tijden van grote veranderingen. Ontwerpers floreren in deze tijden door hun buitengewone probleemoplossende vermogen.

De lezing van Rawsthorn was goed, onderhoudend en kritisch tegelijk. Door haar brede opvatting van design werd haar verhaal soms wel wat abstract, maar haar kennis van zaken en goed gekozen voorbeelden overtuigden. In Rotterdam zette ze meteen de toon door ons ‘kenners’ te vragen naar de meest beroemde stoel ter wereld. Het antwoord: de monobloc, de bekende witte plastic tuinstoel die zelfs gesignaleerd werd in de schuilplaats van Saddam Hussein op het moment dat hij werd ingerekend. Moeiteloos sprong Rawsthorn vervolgens over naar de Arne Jacobsen-stoelen bij McDonalds in Londen, een ‘groene’ luier, de iPhone, de metrokaart en andere alledaagse en minder alledaagse zaken. Dit alles om te laten zien dat het ontwerpen niet zozeer over vorm gaat, maar over welzijn, duurzaamheid, milieu, ecobewustzijn en de relatie met de gebruiker. Rawsthorn is scherp en goed op de hoogte. Veel van de bovengenoemde thema’s komen terug in haar columns, die zijn te lezen op de website www.alicerawsthorn.com/journalism.php

Debat en discussie?

Maar jammer genoeg ging Rawsthorn niet specifiek in op het werk van Joost Grootens of van de andere genomineerden, en deed ze ook weinig uitspraken over de situatie van het Dutch Design, hoewel de middag was aangekondigd als een debat over de positie van de Nederlandse vormgeving in internationaal verband. Ook in de discussie na afloop van de lezing werd daar nauwelijks over gesproken. Moderator Gert Staal noemde de prijs een ‘excuus’ om over design te discussiëren. Maar die discussie bleef helaas nogal vrijblijvend en voegde weinig toe, ondanks alle moeite die hij zich getroostte om niet alleen over het succes van Dutch design te praten, maar ook over de problemen. Rawsthorn ging daar niet op in, want haar enthousiasme over de Nederlandse vormgeving is oprecht gemeend. Ze merkte op dat jonge Britse ontwerpers alleen maar kunnen dromen van de keur aan mogelijkheden die de ontwerpers hier hebben. Ze roemde de designopleidingen, de musea, de producenten en de fondsen die ervoor zorgen dat design zich in Nederland kan blijven ontwikkelen. De enige die zich liet verleiden tot wat kritisch gebrom was de Duitse ontwerper Clemens Weisshaar. Hij liet zich laatdunkend uit over ons geflirt met ambacht en volkskunst. Deze stroming wordt door ontwerpers in Londen, waar Weisshaar studeerde, bestempeld als de ‘raffiamaffia’.

Het gesprek was amusant, maar ook niet meer dan dat. Een goed ‘debat’ van de grond krijgen is al tijden een wens die met de Rotterdamse Designprijs verbonden is en ook daarbuiten gemist wordt. Maar de vorm waarin dat gebeurt – een openbare discussie met enkele bekenden – is vaak een teleurstelling omdat er te weinig uitkomt.

Is het tijdperk van het conceptuele design werkelijk voorbij en zal het Dutch Design in staat zijn meer omvattende en sociale problemen aan te kunnen? De condities die Rawsthorn opsomde zijn immers bij uitstek gunstig voor de ontwerper als kunstenaar en zijn individuele ontwikkeling, terwijl dat individuele inzicht gekoppeld moet worden aan veel en ingewikkelde kennis als we het over duurzaamheid hebben. Misschien kan Grootens het eens overzichtelijk in kaart brengen.

Luna van Loon, 2009.

De tentoonstelling rond de Designprijs Rotterdam is nog te zien tot en met 10 januari 2010 in Museum Boijmans Van Beuningen. http://www.boijmans.nl/