Nel Verschuuren interieurarchitect (1943-2016)

Dit interview met interieurarchitect Nel Verschuuren, jarenlang werkzaam voor het bureau Kho Liang Ie Associates, is tien jaar geleden gemaakt in verband met een publicatie over de vormgeving op luchthaven Schiphol. Het is nooit gepubliceerd en wordt hier nu geplaatst omdat Verschuuren onlangs overleed.

Nel portret Martin Hogeboom ca 98Nel Verschuuren is geboren en getogen in Valkenswaard bij Eindhoven. Haar vader werkte voor de directie van een sigarenfabriek en was breed geïnteresseerd. Haar ouders stimuleerden zelfstandigheid. ‘Ze hadden niet veel met kunst, maar mijn keuze voor de academie was geen probleem.’ Toch had haar vader een eigen huis laten bouwen en heel bewust een architect gezocht. ‘Het was een romantisch huis, met geglazuurde tegels en glas-in-loodramen en hij schakelde na de oorlog een binnenhuisarchitect in, wat toen zeker niet gebruikelijk was. Bij ons zag het er dan ook heel anders uit dan bij anderen. Met houten meubels in de trant van Willem Penaat en veel in- en aanbouwelementen.’

Ze was de jongste van vier kinderen en kreeg als nakomer veel aandacht, waardoor ze erg vroegwijs was. Mede omdat ze gunstig jarig was, sloeg ze de eerste klas over. ‘Daardoor voelde ik me op school wel een buitenbeentje en heb ik mijn schooltijd niet als bijzonder leuk ervaren, maar je deed het gewoon. Wij waren niet streng katholiek, maar je werd wel geacht elke dag naar de mis te gaan, vooral door de nonnen die dat bijhielden.’ Na de lagere school ging ze naar de MMS (de Middelbare Meisjesschool). ‘Biologie en Nederlands vond ik geweldig, maar ik wilde niet voor de klas staan. Ik hield ook van tekenen en we kregen kunstgeschiedenis.’ Zo werd het, mede door de aanwezigheid van de in 1955 opgerichte Academie voor Industriële Vormgeving in Eindhoven, binnenhuisarchitectuur.

Omdat die richting aan de Eindhovense academie echter niet bestond, vertrok ze rond 1960 naar Tilburg. Daar leerde ze ook haar partner Tinus van de Kerkhof kennen. ‘We kregen daar les van Ben Groenewoud uit Amsterdam, een hele goede docent. Die leerde ons de basis, hoe te kijken en voelen, de maat van dingen ontdekken. We moesten van hem bijvoorbeeld altijd een duimstok op zak hebben en alles opmeten. Maar ook papier stukmaken op allerlei manieren en voelen wat daarmee gebeurde. Hij deed dat altijd in relatie met kleine ontwerpoefeningen. De klas telde acht mensen.’ Wegens problemen met de directeur vertrok ze vervolgens naar de St. Joost in Breda. Daar was de richting binnenhuis minder duidelijk. Docent Fokkema was meer zakelijk en commercieel ingesteld. ‘Belangrijk was dat je in aanraking kwam met andere disciplines. Fotografie was daar toen al een belangrijke richting, en tekenen en beeldhouwen. Er was niet zozeer een invloed van het Bauhaus of theorie; meer het zelf uitvinden van alles.’

Haar oriëntatiepunt in die tijd was het blad Goed Wonen waarin ze het werk van Kho Liang Ie ontdekte, wat een enorme indruk maakte. ‘Hij had bijvoorbeeld een kinderkamer gemaakt met een gekleurde cirkel in het linoleum op de vloer; dat gaf een kind allerlei mogelijkheden om te spelen of een eigen hoekje te maken. En ook herinner ik me een project voor studenten, zijn eigen huis en de hoedenwinkel Scheltens. Er zat ook iets heel “basic” aan wat me aansprak. Dáár wilde ik heen. Maar ik durfde hem niet te bellen of te schrijven, veel te bang om “nee” te horen te krijgen. Totdat Tinus me op een goede dag neerzette op een terras met een whisky in de hand en zei: “nu ga je Kho Liang Ie bellen”.

Ik ging dus op gesprek, zonder portfolio, dat deed je in die tijd nog niet, en ik was ontzettend zenuwachtig. Ik weet me er ook niets meer van te herinneren. Zijn secretaresse was ziek, dus hij wilde dat ik dat werk er ook bij nam. Hij had toen in 1965 twee mensen in dienst en werkte al voor de luchthaven via een apart bouwbureautje ressorterend onder het NACO (Netherlands Airport Consultants) in Den Haag, het Bouwbureau Interieur Stationsgebouw Schiphol (BISS). Mijn eerste opdracht bij Kho was zijn eigen woonhuis aan de Koninginneweg in Amsterdam. Ik kwam op 4 oktober binnen en drie dagen later stond ik daar de boel op te meten. De Schipholzaken kwamen natuurlijk ook aan de orde. Tinus werkte voor het architectenbureau Oyevaar, Stolle en Van Gool.’

Tinus, die erg goed met zijn handen was, wilde op den duur zelfstandig zijn en begon freelance-klussen aan te nemen, onder andere van Kho. ‘We keken erg tegen Kho op en waren natuurlijk ook een stuk jonger. Hij was een soort Godfather. Hij had veel aan zijn hoofd en was ook eerder wel bezig geweest samenwerking met anderen te zoeken. In 1968 nam hij ons op als partner in het bureau Kho Liang Ie Associates. De taakverdeling was dat Kho de hoofdontwerper was, ik assisteerde en deed de zakelijke beslommeringen, en Tinus hield zich bezig met de begeleiding van kantoorgenoten en met de voorbereiding en de uitvoering van projecten. Kho was wel en niet dominant. Hij leek dominant, nog afgezien van dat leeftijdsverschil, maar het voelde niet zo. Je kon meepraten en een inbreng hebben, maar hij werd ook wel geweldig driftig als iets hem niet beviel. Kho was internationaal georiënteerd, goed bevriend met Ettore Sottsass. We keken naar wat er in Italië gebeurde (Joe Colombo), maar ook naar het werk van Charles en Ray Eames. Kho was niet dogmatisch en zijn smaak was wispelturig. Vaak was dat ook verbonden met de persoon. Hij had een tijdlang bijvoorbeeld heel veel contact met Terence Conran, die eerst de Conran Shop en daarna Habitat van de grond kreeg.’

Wat leerde ze van Kho? ‘Wat ik van Kho geleerd heb is: niet veel theoretiseren, dat deden we niet. We werkten aan concrete opgaven en hielden ons bezig met het zoeken naar praktische oplossingen. Kho had een goed gevoel voor ruimte en ook een gevoeligheid voor materialen. Het belangrijkste is voor mij ordening. Ik bedoel daarmee dat iets niet in de weg moet zitten, dat een plus een, een is. Dus dominant aanwezige dingen combineren met een tegenwicht, onderbrengen in een geheel. Het programma van eisen maak ik me eigen, dat zit helemaal in mijn hoofd.’

Kantoor Interpolis Tilburg 1997, mmv Marcel Wanders, Piet Hein Eek en Joep van Lieshout.
Kantoor Interpolis Tilburg 1997, mmv Marcel Wanders, Piet Hein Eek en Joep van Lieshout.

Als voorbeeld van die aanpak noemt ze Interpolis Tilburg waarvoor ze vanaf 1997 een nieuw kantoorconcept, het flexibele kantoor, realiseerde. Daar moest niet één groot restaurant komen, maar tien units en die units zouden ook gebruikt moeten kunnen worden voor vergaderingen en dergelijke. ‘Maar tien losse restaurantjes maken, dat leek me niks en zo hebben we er andere ontwerpers bij uitgenodigd die te maken. Zulke dingen, het lijkt wanorde, maar het is ordening. Het is essentieel om een oplossing voor problemen te bedenken in combinatie met elkaar, maar het resultaat moet er vervolgens vanzelfsprekend uitzien.’ In de nieuwe terminal van Schiphol zouden onoplettenden hun hoofd kunnen stoten aan de schuin staande kolommen die het dak dragen. Verschuuren liet de tegels rondom de voet glimmend polijsten hetgeen mensen ervan weerhoudt die plekken te betreden.

Interieur Phonogram Baarn, 1972.
Interieur Phonogram Baarn, 1972.

Het eerste omvangrijke project na Schiphol waar Verschuuren een groter aandeel in kreeg, was het gebouw van Phonogram in Baarn. Dat was toen (1969-1972) een van de eerste open kantoortuinen, een nieuwe vorm van werken en communicatie. Ze maakte werkeilanden en ontwikkelde een golvend plafond met ingebouwde lampen en luchtapparatuur. ‘Door dat golven keek je niet tegen een akelig veld van tl-buizen aan en bovendien bleek het ook nog goed voor de akoestiek te zijn. De norm was toen veertien vierkante meter per persoon. Het was in die tijd overigens een uitzondering als dergelijke projecten naar een binnenhuisarchitect gingen. Meestal gebeurde dat door de architect. Dus áls zo’n opdrachtgever dat deed, was het ook een bewuste keuze en kreeg je ook veel vertrouwen en vrijheid. De binnenhuisarchitect werkte toentertijd meer voor particulieren. Dat is een heel ander soort opdracht, een ander tempo en een ander ritme. Het vergde andere aandacht, wat ik lastiger vond. Ik wilde dat werk op een bepaald moment niet meer. Zakelijke opdrachtgevers zijn duidelijker, het ritme gaat via afspraken en heldere termijnen. Die structuur bevalt mij veel beter.’

Ze is, mede door Schiphol, helemaal ingesteld geraakt op het gefaseerde groeiproces en het samenspel tussen opdrachtgever, architect en binnenhuisarchitect. ‘Wij hebben altijd goede opdrachtgevers gehad, mede door de reputatie van Kho en de serieuze aanpak die we hanteerden. Maar we hadden natuurlijk ook concurrenten: Sem Aardewerk, Oyevaar en Stolle, en Premsela Vonk. Ik denk dat wij ietsje dieper gingen en ook experimenteler waren. Bij sommige opdrachten als Phonogram waren we wellicht ook ambitieuzer. Voor Phonogram heb ik acht jaar gewerkt.’

‘Na de dood van Kho in 1975 was ik zenuwachtig over de voortgang van het bureau, vooral toen een opdracht voor Delta Lloyd naar Oyevaar ging. We zaten hier toen met zeven mensen. Door de jaren heen is de samenstelling van het bureau altijd wisselend geweest. Ik haalde er graag jongere mensen bij. Na 1975 kregen we wel grote opdrachten van de Dienst Esthetische Vormgeving van de PTT zoals een reeks geldkantoren in verschillende steden, en tentoonstellingen in het Tropenmuseum. Tinus is in 2001 uit het bureau getreden.’ Ook Schiphol breidde voortdurend uit en Verschuuren bleef daarbij betrokken, nu in samenwerking met architect Jan Benthem. De luchthaven in Lagos schakelde haar in en ze ontwierp daarvoor de gelijknamige bank, die geproduceerd werd door Artifort. Ook verzorgde ze een aantal showrooms (voor Danskina, NKI, Hunter Douglas, CAR en Eikelenboom) en werkte ze voor hotel Kurhaus.

‘Het uitwerken van de opgave vond ik altijd een uitdaging. Zoals dat plafond voor Phonogram. Maar ook een rand van een tafel: hoe krijg je dat zo dat het goed is schoon te maken en prettig is bij het zitten. Bij die grote projecten loont het om een specifieke oplossing te laten maken. De kosten van een matrijs zijn niet zo hoog, voor de betrokken industrie kan het weer nieuwe productie opleveren en soms doen ze mee omdat het prestige oplevert.’ Het metalen lamellen-plafond voor Schiphol werd bij Hunter Douglas uit afvalmetaal gemaakt en voor het eerst toegepast in de Beurs van Berlage waar toen het Centrum voor Industriële Vormgeving was gehuisvest. Hunter Douglas bracht het in de handel. Voor Interpolis bedacht Verschuuren een ingenieus mechaniek voor een glazen deur. Die deur kon van twee kanten geopend worden, maar alleen gesloten worden vanaf de binnenkant, door degene die in het kantoor zat te werken. Van buitenaf was het onmogelijk de deur dicht te krijgen zodat hij altijd openstond als er niemand binnen was. ‘Het is voor mij belangrijk dat mensen aangesproken worden, dat ze merken dat er aan hen gedacht is.’

Stand voor Kendix stoffen in Frankfurt, 1968.
Stand voor Kendix stoffen in Frankfurt, 1968.

Naast dergelijke grote opdrachten ontwierp Kho Liang Ie Associates ook stands voor onder andere Kendix stoffen. Maar Verschuuren heeft zich in standbouw nooit sterk gevoeld. ‘Iets neerzetten wat na vijf dagen alweer weg moet past niet zo bij mij en het je uitleven in die tijdelijkheid zegt me niet zoveel. Daar ben ik te nuchter voor. Ik houd niet van weggooien. Wel hebben we voor Kendix een systeem gemaakt dat steeds te veranderen viel.’

‘Ik ben heel erg op tekeningen gericht. 3d-simulaties zeggen me niets en ook maquettes maakten we alleen als een opdrachtgever er op stond. Ik zie aan een tekening veel meer, al is dat ook een kwestie van ervaring.’

Verschuuren was tussen 1975 en 1980 ook voorzitter van de BNI, de Bond van Nederlandse Interieurarchitecten. Uit archiefstukken van deze vereniging blijkt dat men begin jaren zeventig discussieert over ‘kultureel welzijn’ en de kleine schaal van de mens. ‘Maar de binnenhuisarchitectuur is er niet voor de kleine schaal, het gaat er juist om de mens in die grote schaal een plek te geven. De architect werkt van voorontwerp naar ontwerp en van deadline naar deadline; dat tempo is hoger en hij kan minder tijd vrijmaken voor het interieur. De binnenhuisarchitect kan er zijn volle aandacht aan geven.’

Frederike Huygen, 2006/2016. De afbeeldingen bij dit artikel komen uit het boekje Nel Verschuuren binnenhuisarchitekt/Interior Design. Dia’s van werk/264 Images, dat in 1998 bij BIS verscheen omdat Verschuuren toen de Piet Zwartprijs van de BNO kreeg. Het portret van Verschuuren is gemaakt door Martin Hogeboom en komt van de website insideinformation.nl.