Klandizie van ‘t Binnenhuis

In haar recensie over de Amsterdamse School verwijst Ellinoor Bergvelt naar het artikel van Marjan Boot dat al in 1976 inging op de klandizie van ’t Binnenhuis. Wij stellen dat artikel graag opnieuw beschikbaar met een toelichting van de auteur.

Klandizie van ’t Binnenhuis

Negenentwintig jaar heeft ’t Binnenhuis bestaan (1900-1929), een woningzaak waar je uit voorraad kon kopen maar waar je ook op bestelling meubels kon laten maken, steeds naar ontwerp van bekende kunstenaars. In een officieel rondschrijven van de directie uit 1901 staan de doelstellingen van de NV te lezen: ‘1e De verkoop van gebruiksvoorwerpen en 2e Het op bestelling doen ontwerpen, uitvoeren en leveren van meer- zowel als min kostbare meubilering.’

Dat deze mogelijkheid, die rond 1900 tamelijk nieuw was, ook in een behoefte voorzag, blijkt uit twee bewaard gebleven documenten uit de boekhouding van ’t Binnenhuis. Een boek waarin alle klanten met naam en adres zijn genoteerd en een boek waarin alle bestellingen chronologisch zijn bijgehouden. In dit zogenaamde opusboek is de productie van de Binnenhuisontwerpers van dag tot dag te volgen. Elk nieuw model is voorzien van een nummer waarna de naam van de koper volgt en veelal ook de prijs en het materiaal waarin het stuk is uitgevoerd. Het leeuwendeel staat op naam van Jac. van den Bosch: 2343 nummers tussen 1900 en 1930; daarna volgt H.P. Berlage met 371 nummers, van L. Zwiers zijn 67 nummers (1910-1915). Tot slot zijn enkele pagina’s gevuld met bestellingen die naar ontwerp van de zoon van Jac. van den Bosch, H. van den Bosch, zijn uitgevoerd (1925-1928). Deze gegevens over de Binnenhuisproducten worden aangevuld met een groot aantal foto’s en schetsen van losse meubels en van complete inrichtingen. Deze foto’s en ontwerpen dienden onder andere als richtsnoer voor de klanten van de zaak, zoals later zal blijken.

Met dit materiaal waren tijdens de voorbereiding van de tentoonstelling een aantal stukken te identificeren en te dateren. Al speurend en werkend werden ook de sporen zichtbaar van die factor, die voor de geschiedschrijving meestal het snelst verloren gaat: het publiek. Ik bedoel degenen die door hun aankopen en opdrachten ’t Binnenhuis in stand hielden en wier bestaan zodoende de noodzakelijke voorwaarde is geweest voor de geschiedenis van ’t Binnenhuis. Een stukje van deze ‘verborgen’ geschiedenis wil ik in deze bijdrage reconstrueren. Het gaat om de volgende vragen: Wie liet zich door ’t Binnenhuis inrichten? Was het een bepaalde groep? Bleven het dezelfde in de 29 jaar dat ’t Binnenhuis heeft bestaan? Hoeveel kostte toen zo’n inrichting? Was het duur? Bestaat er een relatie tussen de soort meubels, de prijzen en de mensen die ze kochten?

De geëxposeerde meubels komen van verschillende bruikleengevers, van musea en andere instanties, van kunsthandels en van particulieren. Onder de particuliere bruikleengevers kan onderscheid gemaakt worden tussen twee groepen. De eerste groep heeft de meubels ‘van huis uit’, dat wil zeggen, de meubels komen uit het ouderlijk of grootouderlijk huis. De tweede groep heeft geen band ‘van huis uit’ met ’t Binnenhuis. Zij hebben hun stukken via veilingen, kunsthandels en particulieren gekocht of gekregen. Sommigen van hen zijn verzamelaars van toegepaste kunstvoorwerpen, anderen hebben de meubels met geen ander doel gekocht dan voor de inrichting van hun huis. Uit de eerste groep licht ik twee voorbeelden. De ene familie heeft vooral in de beginperiode van ’t Binnenhuis bestellingen gedaan, de andere familie heeft zich in de jaren twintig laten inrichten. In beide gevallen is er correspondentie met Jac. van den Bosch bewaard gebleven.

Interieur Veltman in 1976 (foto: Tom Haartsen).
Interieur Veltman in 1976 (foto: Tom Haartsen).

De familie Veltman en ’t Binnenhuis

In het opusboek wordt in 1902 de eerste bestelling op naam van Veltman genoteerd: een kolenbak en een haardstel voor respectievelijk fl 28,- en fl 30,-. Bij deze bestelling is het niet gebleven. Volgens de opgave van het jaar 1903 zijn vijftien stukken aan Veltman geleverd, waaronder meubels, lampen, gebruiksvoorwerpen en huishoudelijke artikelen. Sommige daarvan, zoals een roodkoperen stofdoekbol, doen nu curieus aan. Tot 1914 is er jaarlijks door ’t Binnenhuis aan de familie Veltman verkocht, blijkens het opusboek. Ook sieraden, waaronder ontwerpen van Van den Bosch, Nienhuis en Eisenloeffel, zijn door ’t Binnenhuis aan de familie geleverd. Na 1914 is nog eenmaal een aankoop vermeld: een slaapkamerameublement uit 1918. De notitie is minder gedetailleerd en zonder materiaalvermelding of prijsopgave. Vanaf 1915 lijkt de boekhouding van de zaak minder nauwkeurig te zijn bijgehouden, ook het aantal leveringen loopt gestaag terug. In totaal heb ik zo’n zeventig stukken op naam van Veltman geteld. Een deel daarvan is nog in gebruik bij nabestaanden.

Wie was deze Veltman? Hoe is hij in contact gekomen met ’t Binnenhuis? Deze vragen heb ik voorgelegd aan de twee familieleden die de ‘Veltmanstukken’ nu in huis hebben. W.L. Veltman heeft in het toenmalige Nederlands-Indië zijn carrière gemaakt, waar hij werkte bij de firma Van der Linde-Teves, een toen bekende Nederlands-Indische handelsonderneming. In 1893 keerde Veltman terug uit Indië, werd directeur van de firma Van der Linde-Teves en vestigde zich in Hilversum [in een villa die hij had laten verbouwen door architect J.W. Hanrath].

Roodkoperen stofdoekbol voor Veltman (foto: Tom Haartsen).
Roodkoperen stofdoekbol voor Veltman (foto: Tom Haartsen).

Op de vraag hoe en waarom Veltman bij ’t Binnenhuis kwam om zich in te richten is geen afdoende verklaring te geven. Uit de gesprekken met zijn schoondochter en kleindochter bleek dat Veltman veel oud-Indiëgangers kende en dat in die kringen de naam van ’t Binnenhuis geen onbekende klank moet hebben gehad. Uit de directe omgeving van Veltman staan in het klantenboek de namen van Van Loon, zijn compagnon en goede vriend, als ook de naam van de firma zelf vermeld. Voor zover ik heb kunnen nagaan kwamen er nog meer klanten uit Indië. Daarover later. Een tweede aanknopingspunt in de relatie Veltman-Binnenhuis geeft het culturele klimaat van het Gooi met zijn clubs van schrijvers, dichters, schilders, musici en gefortuneerde kunstliefhebbers. Hoewel Veltman zich niet actief ophield in deze kringen, was hij wel gewoon kunstenaars financieel te steunen. Haverkamp, een zwager van Veltman die intensief deelnam aan het culturele leven in het Gooi en ook veel kunstenaars heeft geholpen, wordt genoemd in het opusboek van ’t Binnenhuis.

Samengevat ziet het beeld van Veltman er zo uit: een man met een hoge maatschappelijke positie, door wiens inzet de firma Van der Linde-Teves een bloeiende onderneming is geworden; een man die in het Gooi losse contacten onderhoudt met kringen van industriëlen en zakenlieden, kunstenaars en kunstliefhebbers. Hij is te plaatsen in een maatschappelijke bovenlaag waartoe veel klanten, die tussen 1900 wn 1910 in het opusboek voorkoen, kunnen worden gerekend. Hun namen zijn bekend uit het sociaal-culturele leven van die jaren, uit de kunst, de literatuur, de politiek en de zakenwereld. Contacten van rijke families met ’t Binnenhuis zullen voor een deel gelegd zijn via degenen die de oprichting van ’t Binnenhuis financieel mogelijk hebben gemaakt. Zoals Carel Henny, directeur van de verzekeringsmaatschappij De Nederlanden van 1845, van wie bekend is dat hij de ‘nieuwe beweging’ actief heeft gesteund. Julius de Gijzelaar, president van de raad van commissarissen van ’t Binnenhuis, was gelieerd aan de bankiersfamilie Van Vloten en De Gijselaar. En niet te vergeten Willem Hoeker, die relaties had in de juwelierswereld. Bij de opening van ’t Binnenhuis was de elite van Amsterdam present; in zijn autobiografie schrijft Van den Bosch: ‘Een evenement… voor de upper ten van Amsterdam, van het Spui tot aan de Munt, stond het Rokin vol met equipages.’

Minder materieel maar van grote betekenis voor het voortbestaan van ’t Binnenhuis was de steun van een kleine kring van intellectuelen en kunstenaars met verwante ideeën over de ‘nieuwe kunst’. Met niet aflatende ijver hebben deze vrienden tot in de jaren dertig geschreven over ’t Binnenhuis, in binnen- en buitenland. De belangrijkste supporter was Leo Simons, die in 1905 de Maatschappij ter Verspreiding van Goede en Goedkope Lectuur, de latere Wereldbibliotheek, heeft opgericht. Simons was in 1903 Hoeker opgevolgd als zakelijk directeur van ’t Binnenhuis, welke functie hij heeft gehouden tot 1915. Niet alleen schreef hij regelmatig over ’t Binnenhuis in tijdschriften, ook heeft hij talloze boekjes uitgegeven over bouwen en wonen waarin de ideeën van Berlage en Van den Bosch zijn terug te vinden. In 1912 heeft Simons onder zijn pseudoniem S. van P. – Simons van Parkwijck, de naam van zijn huis te Amsterdam, gebouwd door Berlage – een eigen orgaan van ’t Binnenhuis uitgegeven, geheten Binnenhuiskunst. Er zijn slechts zes afleveringen verschenen.

Over de nauwe contacten tussen de Wereldbibliotheek en ’t Binnenhuis, en het gelijkgerichte streven van beide instellingen zou veel meer te zeggen zijn. Hier wil ik alleen nog noemen de door de Wereldbibliotheek geleverde boekenkastjes, die speciaal voor een bepaalde serie uit het fonds van de uitgeverij waren vervaardigd door ’t Binnenhuis.

De kinderen Veltman groeiden op in deze sfeer. Drie van de vier kinderen kregen van hun vader bij hun huwelijk een Binnenhuisuitzet naar keuze mee. De vierde, die naar Indië vertrok, erfde later de meeste meubels uit het ouderlijk huis. Deze meubels heeft zijn weduwe tot op de dag van vandaag in gebruik. Van één van deze kinderen is de complete inrichting bewaard gebleven. De aanschaf dateert van 1918 en alles staat, na omstreeks 1930 eenmaal verhuisd te zijn, nog op zijn plaats. Deze W.L. Veltman jr. werkte na zijn studie bij de Lettergieterij Tetterode. Daarvan kende hij S.H. de Roos, geen onbekende in Binnenhuiskringen. De Roos heeft een tijd lang de grafische vormgeving van ’t Binnenhuis verzorgd. Dat Veltman jr. zich bij zijn huwelijk een inrichting koos die voor zijn generatie niet meer up to dat was, wordt misschien door deze achtergronden verklaard.

Interessant zijn de bewaard gebleven brieven van Van den Bosch aan Veltman jr. Ze hebben betrekking op de inrichting en stoffering van drie kamers. Veltmans definitieve keus heeft lang op zich laten wachten: de brieven beslaan een periode van anderhalf jaar. Er is druk gecorrespondeerd, getuige de vele begrotingen, orderbevestigingen en rekeningen. De begrotingen van Jac. Van den Bosch zijn soms in twee prijzen opgemaakt: in twee kolommen staan prijzen voor verschillende modellen, die worden aangeduid met de opusnummers. Een paar keer heeft Van den Bosch illustratiemateriaal meegezonden zoals blijkt uit een brief waarin hij schrijft: ‘Wij hebben tevens het genoegen u een collectie Foto’s te zenden, waaruit U wellicht een ruimere keus zult doen; de begrootingen dienen om U een klein overzicht te geven onzer sorteering en een eventueele inrichting eener kamer.’ (20 januari 1917)

Bijgesloten waren ‘4 Teekeningen, 40 Foto’s, 14 Foto’s van interieur in album’. Uit de rekeningen blijkt dat Veltman jr. voor de inrichting van de eetkamer en de studeerkamer – toen ‘heerenkamer’ genoemd – bestaande modellen heeft laten namaken. Het buffet voor de eetkamer bijvoorbeeld, opusnummer 880, is een ontwerp uit 1909 of eerder aangezien het meubelstuk in dat jaar wordt vermeld in het opusboek. Voor de slaapkamer liet Veltman een nieuw ontwerp uitvoeren, het enige ameublement dat in het opusboek op zijn naam is genoteerd. Dit wijst erop dat in het opusboek alleen de eerste uitvoering van een model werd opgenomen, zodat de productie van Van den Bosch nog vele malen groter moet zijn dan de in de inleiding genoemde 2343 ontwerpen.

Detail rekening Veltman jr. 1918 (foto: Tom Haartsen).
Detail rekening Veltman jr. 1918 (foto: Tom Haartsen).

De kosten van deze totale inrichting, inclusief de kosten voor werkzaamheden als plaatsing van vloerbedekking, gordijnen, het verven en behangen, bedroegen fl. 3.734,35. Veel geld voor onze begrippen. Voor 1918 een astronomisch bedrag. Een vergelijking met het interieur van een arbeiderswoning uit die tijd wordt mogelijk gemaakt door de gegevens die bekend zijn van een prijsvraag uit 1916 georganiseerd door de vereniging Kunst aan het Volk. Gevraagd werd het ontwerp van een kast, een tafel, zes stoelen en een spiegel voor maximaal fl. 100,-. Gemakshalve laat ik in het midden of een dergelijk bedrag ook betaald kon worden door de groep waarvoor de vereniging zich inzette. Toch is de prijs van het buffet, de tafel en de zes stoelen van de Veltmaneetkamer al ruim zeven maal hoger en de prijs van de hele eetkamer ligt tien maal hoger.

De familie Krijgsman en ’t Binnenhuis

De tweede familie die ik hier wil behandelen heeft vanaf 1922 bij ’t Binnenhuis gekocht; dus in de tijd dat het met ’t Binnenhuis steeds slechter ging. Over de persoon Krijgsman, zijn aankopen bij ’t Binnenhuis en zijn relatie tot Jac. van den Bosch heb ik gesproken met zijn zoon, die zelf Van den Bosch nog heeft gekend. Voorts verschaft een grote hoeveelheid brieven die in de familie bewaard zijn gebleven, enig inzicht in de situatie van de laatste jaren van ’t Binnenhuis. De meubels en gebruiksvoorwerpen zijn voor een deel nog steeds in gebruik bij de familie.

Hoe Krijgsman in contact is gekomen met Van den Bosch is niet meer te achterhalen, maar het is zeer waarschijnlijk dat hij via zijn werkkring de naam Jac. van den Bosch kende. Krijgsman heeft zijn leven lang als onderdirecteur gewerkt bij de Amsterdamse Chinine Fabriek. Het is bekend dat de twee directeuren van de fabriek, Vermeulen en Van Velsen Camphuis, hun huis hebben laten meubileren door ’t Binnenhuis. Van Velsen Camphuis wordt in dezelfde tijd als Krijgsman in het opusboek vermeld, de naam Vermeulen komt al eerder voor. Er is ook aan de fabriek geleverd. De brieven van Jac. van den Bosch aan J.M. Krijgsman beslaan de periode van 1922 tot 1937, waaruit blijkt dat met de liquidatie van ’t Binnenhuis het contact niet is verbroken.

De grootste opdracht, namelijk de meubilering en stoffering voor alle kamers van Krijgsmans huis, wordt in het begin van 1922 gegeven. Kennelijk wist Krijgsman wat hij wilde: na één bezoek en een schriftelijke begroting is de zaak beklonken. Nauwelijks drie maanden later stond alles op zijn plaats blijkens de rekening van korte tijd later: totale kosten circa fl. 6.000,-. Wat opvalt is het samengaan van ontwerpen uit ver uiteen liggende jaren. Voor de eetkamer werden bijvoorbeeld recente ontwerpen – een buffet, tafel met stoelen uit 1921 – gecombineerd met modellen uit 1918, 1917, 1906 en zelfs uit 1903 en 1901. De familie Krijgsman heeft nu nog de vroegere stukken in gebruik en de tafel met stoelen staan opgeslagen. Deze tafel, zeshoekig van vorm, en de bijbehorende stoelen, het buffet en een spiegel ontworpen in 1918, vertonen kenmerken die sterk doen denken aan de Amsterdamse Schoolmeubelen. De invloed van de Amsterdamse School is vanaf 1916-1917 in toenemende mate te signaleren in Van den Bosch’ ontwerpen. De resultaten zijn niet altijd even gelukkig. De Van den Boschmeubels in deze trant doen minder fors aan en zijn strakker van lijn dan de meubels van bijvoorbeeld Piet Kramer of Michel de Klerk; al met al zijn het vaak nogal hybride producten. Voor de al eerder genoemde familie Van Velsen Camphuis, waarmee Van den Bosch goed bevriend was, moet een heel huis gemeubileerd zijn in deze stijl, getuige de bewaard gebleven ontwerpen uit het archief van ’t Binnenhuis en de daarmee corresponderende gegevens uit het opusboek. Curieus is het ontwerp (opus 2150) voor een meisjeskamer in ‘rood gebeitst else multiplex in de was’, dat te zien is op de expositie. Een volgende aanschaf van Krijgsman bij ’t Binnenhuis betrof snuisterijen als kleedjes, vaasjes, koperwerk (van onder anderen Blinxma en Eisenloeffel), mandjes (Ellens), glaswerk (De Bazel) en dergelijke. De zending was op zicht gestuurd en Krijgsman koopt alles op enkele stukken na: circa 70 voorwerpen.

Pas weer in 1926 volgt een nieuwe opdracht aan ’t Binnenhuis dat, zoals bekend, lijdt onder de economische malaise en gebrek heeft aan opdrachten. Een eigen winkel kon Van den Bosch er al jaren niet meer op nahouden en alleen een toonkamer boven de zaak van Begeer op de Prinsengracht is overgebleven. Krijgsman is intussen verhuisd naar Bloemendaal en draagt Van den Bosch de stoffering van zijn huis op. De resterende brieven over werkzaamheden voor Krijgsman bevestigen de indruk dat Krijgsman kosten noch moeite spaarde om Van den Bosch in deze zware jaren te helpen. In de rekeningen staan voor het eerst bedragen genoemd voor reparatiewerkzaamheden, het in de was zetten van meubelen, kloppen en repareren van tapijten, en klusjes als ‘best. cocosloper pasgemaakt en bestaande ogen ingenaaid’, ‘w.c. boven, vloer belegd met bestaand linoleum’. (7 augustus 1925) Zelfs het geven van adviezen wordt in rekening gebracht. Het laatste stuk van de correspondentie is een brochure uit 1937 van het ‘Van den Bosch schilderijenbureau’: een bureau dat volgens de tekst kunstwerken aan abonnees uitleent. Een kwitantie aan Krijgsman voor een op lening gevolgde aankoop van een schilderij van Van den Bosch inclusief lijst, met daarbij een verlenging van zijn abonnement voor het jaar 1918, illustreert nogmaals zijn steun aan Van den Bosch.

Vergeleken met Veltman zijn er in de klandizie verschillen en overeenkomsten op te merken, daarbij in het oog houdend dat het om verschillende generaties en verschillende perioden gaat. Vergelijkbaar zijn hun maatschappelijke posities: beiden bekleden hoge posten in de Nederlandse industrie. Zowel de een als de ander verkeren binnen hun werkkring met mensen die hun inrichting van ’t Binnenhuis hadden. Zowel Veltman als Krijgsman hebben direct of indirect met Nederlands-Indië te maken: een veel voorkomende relatie bij Binnenhuisklanten. Veltman, directeur van Van der Linde Teves, had zijn carrière opgebouwd in Nederlands-Indië evenals zijn compagnon Van Loon. Krijgsman is volgens inlichtingen van zijn zoon nooit naar Indië geweest, maar was wel bestemd voor uitzending naar een dochteronderneming van de kininefabrieken aldaar. Van de twee directeuren Vermeulen en Van Velsen Camphuis is de eerste zeer waarschijnlijk en de laatste in ieder geval in Indië werkzaam geweest bij de Semarangsche Kinine-onderneming. Een groot deel van de andere families waarmee ik tijdens de voorbereiding van de tentoonstelling in contact ben gekomen, heeft in Indië gewoond. Hun klandizie van ’t Binnenhuis valt, voor zover te overzien, meer ná 1915 dan ervoor. Of er een relatie is en zo ja welke tussen de Indiëgangers en de klandizie van ’t Binnenhuis kan pas na verder onderzoek worden vastgesteld. Het staat buiten kijf dat er vergaande contacten hebben bestaan tussen ’t Binnenhuis en Indië. In 1911 zijn pogingen ondernomen in Soerabaja een filiaal op te richten. Verder heeft de altijd voor het ‘goede streven’ actieven Leo Simons al in het begin van de eeuw een cultureel tijdschrift geredigeerd voor ‘Nederlanders in den vreemde’ waarin de nieuwe beweging op het gebied van kunstnijverheid op de voet werd gevolgd.

Het verschil tussen Veltman en Krijgsman zit in hun culturele milieu: Veltman onderhield, zij het niet intensief, contacten met artistiek-intellectuele kringen, Krijgsman niet. Die positie van Veltman is typerend voor het klimaat in het begin van deze eeuw wanneer dat soort contacten tussen kunstliefhebbers, intellectuelen en kunstenaars opbloeien in al dan niet georganiseerd verband. De oprichting van ’t Binnenhuis op zichzelf is al een initiatief dat voortgekomen is uit dergelijke contacten. Elders in deze catalogus is meer te vinden over de achtergronden en de denkwereld van de generatie van Jac. van den Bosch, Berlage, Leo Simons, Carel Henny, Fentener van Vlissingen, Ankersmit, Dentz van Schaik, Derkinderen, Henri Polak, de Roland Holsten, Jan Veth en zoveel meer bekende namen die voorkomen in de eerste helft van het opusboek. Het verschil tussen de klandizie van de beginjaren en van de jaren twintig laat zich omschrijven als ‘bij de tijd’ en ‘achterhaald’. In de beginjaren waren de Binnenhuisproducten iets geheel nieuws op de markt: schokkend, revolutionair en in trek bij de avant-garde. Omstreeks 1910 is de Binnenhuisstijl al wat meer geaccepteerd en in ieder geval bij een groter publiek bekend. Na 1920 is de Binnenhuisstijl gedateerd, uit de mode. Jongere kunstenaars, in de eerste plaats architecten van de Amsterdamse School, geven nu de toon aan. Wat de klandizie van de generatie van Veltman dus onderscheidt van Krijgsmans generatie is het feit dat Veltmans inrichting voor zijn tijd hypermodern was en dat Krijgsmans inrichting – zeker als je bedenkt dat daar ontwerpen uit 1901-1903 bij hoorden – voor zijn tijd ouderwets was. Misschien moet het eetkamerameublement hiervan uitgezonderd worden: dit was aan de smaak van de tijd aangepast, een variant op de Amsterdamse Schoolstijl.

Veelbetekenend is ook de veranderde relatie tussen Van den Bosch en zijn klanten in het begin en later. Terwijl de correspondentie met Veltman puur zakelijk is en alleen in belangrijke gevallen behandeld wordt door Van den Bosch zelf, regelt hij met Krijgsman alles in eigen persoon. Personeel is door de slechte economische omstandigheden niet meer te betalen. Het is gebleken dat Van den Bosch aan allebei adviezen placht te geven: aan Veltman in de vorm van het opsturen van foto’s en tekeningen, bij Krijgsman met een zichtzending hetgeen een vergaand advies impliceert. Het contact tussen Krijgsman en Van den Bosch verschuift in de loop der jaren van strikt zakelijk naar meer persoonlijk. Aan de ene kant staat Krijgsman ’t Binnenhuis welbewust bij door allerhande opdrachten te geven, aan de andere kant kent hij Van den Bosch kennelijk een belangrijke rol toe bij de aankleding van zijn huis. Behalve de hulp van Krijgsman genoot Van den Bosch de steun van enkele trouw gebleven klanten: vrienden als Van Velsen Camphuis of familie als zijn zwager Caron.

Dat de meubels ook in de jaren twintig en dertig een ruime beurs vereisten vertelde een klant die de uitverkoren meubels heeft laten namaken bij een ex-medewerker van ’t Binnenhuis, Gieben. Deze, tot 1916 hoofd van de meubelwerkplaats, had sinds een hevig conflict met Van den Bosch een eigen atelier. De door Gieben gemaakte meubels zijn niet te onderscheiden van Binnenhuisproducten en waren stukken goedkoper.

Tot slot een laatste opmerking over de in de inleiding genoemde tweede groep van bruikleengevers, de mensen die de stukken niet van huis uit bezitten. De herwaardering van de Jugendstil, de hang naar nostalgie en de daarmee gepaard gaande verzamelwoede strekt zich nu ook uit tot de producten van ’t Binnenhuis. De genoemde groep bestaat uit twaalf personen waarvan negen verzamelen, in het bijzonder op het gebied van de toegepaste kunst. Van deze twaalf zijn er tien werkzaam in de culturele sector: daar versta ik onder de gebieden van beeldende kunst, literatuur, architectuur, vormgeving en fotografie. Een van de overblijvenden, van beroep leraar aan een meubelvakschool, heeft zijn stukken verkregen in een tijd dat men dit soort meubels nog niet aan de straatstenen kwijt kon. De deugdelijkheid van de meubels, hem welbekend daar hij beroepshalve bij de oorspronkelijke bezitters over de vloer kwam, was he echter voldoende o het gespot met zijn inrichting te trotseren. Met uitzondering van de laatste, lijkt het erop dat de Binnenhuismeubelen in soortgelijke kringen aftrek vinden als driekwart eeuw geleden, namelijk bij de niet onbemiddelde, kunstlievende, culturele elite van nu.

Marjan Boot, 1976, opnieuw gepubliceerd met toestemming van de auteur in 2016.

De catalogus 1976.
De catalogus 1976.

Nawoord

Bovenstaand artikel is veertig jaar geleden verschenen in de catalogus van de tentoonstelling Jac. van den Bosch en de vernieuwing van het Binnenhuis in Haarlem (De Hallen, 8 mei-27 juni 1976). Deze catalogus had het karakter van een eenvoudige educatieve uitgave: nog geen dertig pagina’s groot, gelay-out door de verantwoordelijke museumafdeling, gedrukt op goedkoop papier en bijeengehouden in een plastic ringband. Dergelijke uitgaven waren in deze periode heel gebruikelijk en als jonge, net afgestudeerde kunsthistoricus was je blij dat je ergens terecht kon met je onderzoeksresultaten.

Ik was met het plan voor deze tentoonstelling bij het museum aangekomen na mijn aantreden als wetenschappelijk medewerker aan het Kunsthistorisch Instituut van Amsterdam in december 1974, drie maanden na mijn afstuderen aan de Universiteit van Utrecht. Het onderwerp van mijn doctoraalonderzoek was de betekenis van H.P. Berlage voor de meubelkunst en het interieur waarbij ik Carel Henny en zijn bekende huis in Den Haag als casus had genomen.[1. M. Boot, ‘Carel Henny en zijn huis: een demonstratie van “goed wonen” rond de eeuwwisseling’, in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek (1974) 25, pp. 91-131.] Bij dat onderzoek was ik op tal van namen gestuit die op een of andere manier in verband gebracht konden worden met ‘t Binnenhuis. Mijn voorstel aan de directie van het Frans Halsmuseum was (deels) de spin-off van de studie naar Carel Henny en zijn huis.

De organisatie van de tentoonstelling en het verzorgen van de publicatie was de verantwoordelijkheid van de nieuw opgerichte Educatieve Afdeling (toen nog Afdeling Voorlichting Beeldende Kunst) en van ondergetekende. Deze afdeling had onder de in 1972 aangetreden directeur Dick Couvée de taak gekregen om te werken aan een breed sociaal-cultureel programma. Dit moest het streven naar vermaatschappelijking van het museum schragen.[2. A. Erftemeijer, 100 jaar Frans Hals Museum, Rotterdam 2013, pp. 83-86.] Een expositie over ‘kunstnijveraar’ Van den Bosch, geboren in Amsterdam maar van 1903 tot aan zijn dood in 1948 woonachtig in Bloemendaal en op latere leeftijd actief in het culturele leven van Haarlem, sloot aan bij dit nieuwe beleid van het museum. Maatschappelijke relevantie stond hoog in het vaandel bij musea. Educatieve diensten namen het voortouw bij het organiseren van laagdrempelige programma’s en tentoonstellingen die geacht werden een breed publiek aan te spreken. Architectuur en interieurkunst, in het bijzonder die van het begin van de twintigste eeuw, speelden daarin een rol, niet toevallig ook steeds meer onderwerp van studie van jonge, kritisch ingestelde onderzoekers die net van de universiteit kwamen.

Zoals in het artikel wordt beschreven waren midden jaren zeventig nog nabestaanden van de oorspronkelijke eigenaren in leven. Zij konden uit de eerste hand informatie verschaffen over het contact tussen de winkel/maker en de opdrachtgever. Bewaard gebleven correspondentie leverde nieuwe inzichten op. De gepresenteerde onderzoeksresultaten vielen indertijd op door de gekozen invalshoek maar vormden niet meer dan een aanzet. Het heeft 35 jaar geduurd voor er een vervolg op kwam. De studie van Yvonne Brentjens Rechte stoelen, rechtschapen burgers. Wonen volgens ’t Binnenhuis (1900-1929) portretteert een dertigtal opdrachtgevers en geeft een fascinerend beeld van de verschillende sociale milieus. Een klantenlijst van meer dan duizend namen besluit het boek. Daarmee is de clientèle van ‘t Binnenhuis definitief in kaart gebracht. De families Veltman en Krijgsman worden daarin niet beschreven, achterin vinden we wel hun namen in de lijst met opdrachten en aankopen van Binnenhuisklanten.[3. Y. Brentjes, Rechte stoelen, rechtschapen burgers. Wonen volgens ’t Binnenhuis (1900-1929), Zwolle/Den Haag (W Books/Haags Gemeentemuseum), 2011. Voor J.M. Krijgsman, zie p. 326, voor W.L Veltman en zijn zoon W.L. Veltman jr., pp. 70-71, 245 en 354.] Over de cultuur in die periode verscheen het boek Jan Bank en Maarten van Buuren, 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur, Den Haag 2000, voor Van den Bosch: tent. cat. Jac. Van den Bosch 1868-1948, Assen/Eindhoven (Drents Museum/Museum Kempenland) 1987. (Marjan Boot)