Cube designmuseum in Kerkrade: een impressie

Met veel interesse en instemming las ik op deze site de bijdrage van Jan de Bruijn over de tentoonstelling Joris Laarman Lab in het Groninger Museum. Hoewel ik bijzonder genoten heb van deze tentoonstelling en grote bewondering heb voor het werk van Laarman, kan ik de bezwaren van De Bruijn tegen de museaal-esthetische opzet van de expositie wel delen. Anderzijds weet ik als conservator dat het verantwoord en aantrekkelijk tonen van design in een museum, in mijn geval een kunstmuseum, een duivels dilemma is. Je doet óf de complexiteit van de discipline te kort, of je weet ondanks – of misschien vanwege? – een overdosis aan educatieve hulpmiddelen de belangstelling van de bezoekers niet voldoende te trekken. Of je geeft te veel toe aan het toch ook gerechtvaardigde verlangen naar visueel genot, waarbij ik angstvallig het besmette woord schoonheid probeer te vermijden. You can’t win them all bij het presenteren van design in het museum.

Cube design museum, Shift Architecture Urbanism.
Cube design museum, Shift Architecture Urbanism.

Met dit in mijn achterhoofd bezocht ik enkele weken geleden het nieuwe Cube design museum in Kerkrade. Ik was bijzonder nieuwsgierig naar de wijze waarop deze, op 23 oktober jl. geopende, nieuwe speler op ons vakgebied te werk was gegaan. Het resultaat was bovendien met drie sterren gewaardeerd door Jeroen Junte, verslaggever design van de Volkskrant. Hoe zou men in Kerkrade het hierboven beschreven dilemma van vormgeving in een museum te lijf zijn gegaan?

Helaas was ik niet uitgenodigd op de officiële opening van dit eerste en voorlopig enige Design Museum in Nederland en werd museum Boijmans Van Beuningen in de afgelopen jaren ook op geen enkele manier betrokken bij het uitwerken van haar plannen. Of hieruit blijkt dat Cube meer gericht is op Duitsland, België en het zuiden van Nederland, of dat de al bestaande Nederlandse organisaties die design verzamelen en tonen door Cube niet interessant gevonden worden, weet ik niet. Het zal ongetwijfeld te maken hebben met de bewust andere benadering van design waar men in Kerkrade naar op zoek is.

Het Cube design museum is een onderdeel van C-City (Creative City), waartoe ook het Continium en Columbus behoren. Techniek, wetenschap en design komen hier in samen, met de nadrukkelijke bedoeling het publiek een actieve rol te laten spelen. Het Continium, een educatief museum (centrum) over de ontwikkeling van wetenschap en techniek, bestond al veel langer; het is de voortzetting van het Industrion, wat op zijn beurt weer voortkwam uit het mijnmuseum Rolduc. Columbus is een soort omgekeerd planetarium, waar men de aarde vanuit de ruimte kan bezien. Het totale, ambitieuze project is met steun van de gemeente Kerkrade en de provincie Limburg tot stand gekomen. De wens om in Limburg meer (cultuur)toeristische trekpleisters te initiëren motiveerde hun forse bijdragen. De drijvende kracht achter het project is directeur Hans Gubbels, een werktuigbouwkundig ingenieur, voorheen directeur van het Continium en daarvoor een succesvol ontwikkelaar van pretparkapparaten.(1)Zuiderlucht. cultureel maandblad, nr. 12, december 2014.

Ik reisde positief en verwachtingsvol naar het Zuiden des lands af. Elke serieuze aandacht voor design en ons immer interessante werkterrein is wat mij betreft welkom en mijn verlangen om het resultaat te zien van de veelbelovende invalshoek die Cube had gekozen was groot. Tijdens haar opbouw werd de doelstelling van Cube op haar eigen website als volgt aangekondigd: ‘Cube, het eerste designmuseum van Nederland, wordt geen designmuseum in de traditionele zin van het woord. Gevestigd in een symmetrische kubus van 21 bij 21 m², die lijkt te zweven boven het plein, presenteert Cube niet alleen spraakmakende en inspirerende exposities van het beste internationale én Euregionale design, maar wordt het vooral een dynamisch centrum waar je beleeft hoe we onze wereld vormgeven. Ervaren, zien, voelen en horen, maar meer nog: denken, doen en samenwerken staan centraal. Tijdens je bezoek werk je samen met ontwerpers en studenten aan nieuw product design. Je ontdekt alle “ins & outs” van het designproces; van brainstorm tot prototype. Help designstudenten die in de Labs aan het werk zijn met het vinden van oplossingen voor de uitdagingen van de toekomst.’

Het was dus overduidelijk de bedoeling dat de bezoekers aan het werk gezet zouden gaan worden. Maar er bleek gelukkig ook het nodige te zien. In totaal kan men in het kubusvormige gebouw vier afzonderlijke presentaties op vier verschillende etages bezoeken. Hoewel die onderling in geringe mate samenhangen, werd bij binnenkomst mondeling aangeraden deze toch in een stringente volgorde te bekijken – en dat was wonderlijk genoeg niet van hoog naar laag of andersom.

Op de eerste verdieping maakt Cube met een toegankelijke en speelse introductie op het onderwerp ‘design’ zijn beloftes voor een deel waar. Hier wordt getoond op welke uiteenlopende manieren het begrip design ingevuld en begrepen kan worden. Een achttal totaal verschillende producten – een pistool, een telefoon-app, een zeventiende-eeuwse tulpenvaas, een bak macaroni enz. – stond in acht afzonderlijke vitrines in een kring, terwijl per vitrine een pratend hoofd op een schermpje in redelijk begrijpelijke taal vertelde waarom het betreffende product het predicaat ‘design’ verdiende. Maar wie koos die producten, en wie zijn die specialisten? Hoe moeten we hun keuze en specifieke invalshoeken begrijpen en verklaren? Het zou fijn zijn als we op die manier zouden kunnen leren dat uitspraken over design altijd gekleurd worden door de achtergrond en het specifieke motief van de boodschapper. Het is toch juist deze meer theoretische – zo men wil filosofische – manier van denken over vormgeving die men in Cube wil stimuleren? Op diezelfde eerste verdieping geven speelse, interactieve apparaten – die zoals bekend nogal eens kapot dreigen te gaan, hetgeen ook hier al weer het geval was – een beeld van de evolutie van industriële producten, zoals het scheerapparaat, de grille van een auto en het colaflesje. Verder tonen een tiental voorbeelden dat het ook wel eens helemaal mis kan gaan met een nieuw ontwerp. Kortom, iedereen die nog denkt dat design alleen gaat over bijzondere, artistiek vormgegeven sier- en gebruiksproducten, wordt hier voor eens en voor altijd uit de droom geholpen.

De ambitieuze hoofdtentoonstelling Designing the World op de vierde verdieping van Cube – een mission statement, volgens de vriendelijke, enthousiaste maar eveneens naamloze mevrouw die ter plekke toelichtingen verschafte aan de bezoekers – werd samengesteld met behulp van bruiklenen uit zes designmusea uit de hele wereld, uit elk continent één. Hieronder zijn belangrijke instellingen als Cooper Hewitt in New York, het Design Museum in Londen en het Museum of Applied Arts and Sciences in Sydney maar ook twee waarvan ik nog nooit had gehoord: The Mind Museum in Manilla op de Filippijnen en het Design Indaba in Kaapstad, Zuid Afrika. Verrassend en boeiend om daar op deze manier – en op deze plek – mee kennis te maken!

Maar wat werd er nu eigenlijk beweerd in deze expositie? In de inleiding van de catalogus van Designing the World stelt Hans Gubbels vast dat dit nieuwe museum geen autonoom design wil tonen en evenmin een podium wil bieden waar designprojecten in de toekomst kunnen worden verkend en bestudeerd: ‘Cube design museum must also be a location where design processes and the methodology behind design are made visible for everyone to see. This will create a space where you and I, designers, visitors and students can join forces to think about and work together on new and meaningful designs for ourselves and for other people.’

De zes instellingen hebben elk een tiental producten ingestuurd aan de hand van vijf centrale thema’s: producten op het gebied van eten en drinken (food and drink), lichamelijke gezondheid (physical health), geestelijke gezondheid (mental health), bescherming (protection) en veiligheid (security). Wie hier vijf minuten over doordenkt kan al zien dat feitelijk elk willekeurig menselijk artefact onder een – en vaak ook meerdere – van deze noemers geschaard kan worden, iets wat op de tentoonstelling ook gebeurde. Bedenk daarbij dat er geen enkele restrictie aan periode waarin het was gemaakt was gesteld en er evenmin geselecteerd was op innovativiteit of methode van vervaardigen – laat staan op een fraaie vormgeving – en de chaos is compleet. Wat duidelijk werd is dat ‘alles is vormgegeven’ en dat elk product in essentie om een bepaalde reden en met een duidelijk doel tot stand is gekomen. Jawel: je kan met design alle kanten op!

Het oudste geëxposeerde product is een paar Limburgse houten klompen die sedert 1800 gemaakt worden om de voeten te beschermen bij het werk op het land en die dus in de categorie protection vallen. Het mooiste product is een jurk van de Italiaanse modeontwerper Mariano Fortuny uit 1910-1920, verrassend genoeg ook in de categorie protection gerangschikt en nota bene afkomstig uit het Museum in Sydney. Het meest recente is een rookalarm, vallend onder security, ingezonden door het Londense Design Museum. Het meest ambachtelijke is een kleurig, van natuurlijke materialen gevlochten mandje uit Nieuw Zeeland uit 1995 – geplaatst in de categorie mental health, ook ingezonden door Sydney. De gevaarlijkste producten zijn drie zogenaamde Balisong messen uit de Filippijnen, ingezonden in de groep protection door het Mind Museum in Manilla. Serviesgoed van pulp van (suiker)riet en bamboe, was het meest milieuvriendelijke voorbeeld. Het werd ingezonden voor het thema food and drink door Cooper Hewitt in New York. Het meest nutteloze object tenslotte is een hesje waarmee stress gereduceerd kan worden, in het thema mental health, afkomstig uit het Cube design museum zelf. En ik zou nog wel even door kunnen gaan om de extreme diversiteit en daarmee het ontbreken van samenhang binnen het getoonde aan te geven. Oftewel, wat biedt deze presentatie meer dan – opnieuw – voorlichting over de veelzijdigheid van het fenomeen design?

Op de tweede verdieping is door het Red Dot museum uit Essen de presentatie Design Identities gemaakt over de vermeende verschillen en overeenkomsten tussen Duits en Nederlands design: bestaat typisch Duits of typisch Nederlands design? Afgezien van het feit dat ik deze vraagstelling modieus en ook eigenlijk niet relevant vind, werd mij niet duidelijk wat het antwoord van de tentoonstellingsmakers was en evenmin kon ik volgen hoe de kwestie in deze presentatie benaderd werd. Los daarvan waren er enkele interessante ontwerpen te zien. Uiteraard allemaal producten die ooit – door juryleden afkomstig uit het bedrijfsleven – met een Red Dot Award bekroond werden, waaronder de fraaie Moire stoel van Ton Haas. Maar waarom deze stoel op twee plekken stond, een keer uitgevoerd in oranje kunststof en de andere in wit, was volstrekt onduidelijk.

Tenslotte de begane grond, de enige plaats in Cube waar daglicht doordringt. Het is de bedoeling dat hier gewerkt wordt door een dertigtal designers in residence, gerekruteerd uit de diverse universitaire en HBO-designopleidingen. Gedurende enkele maanden werken zij aan een gemeenschappelijke opdracht. De eerste periode bleek net afgesloten te zijn. Studenten hadden zich het hoofd gebroken over de verveling die blijkbaar zo vaak toeslaat onder mensen met dementie tijdens de busrit naar hun dagbesteding. Hun oplossing was een relatief zware en ogenschijnlijk niet erg handzame kubus die de ouderen mee konden nemen: er kon muziek mee worden beluisterd en op het vierkant waren foto’s uit hun persoonlijke verleden geplakt. Ik moet eerlijk bekennen dat ik hier aangeland zijnde niet meer de concentratie heb kunnen opbrengen om dit goed te bestuderen, waardoor ik ook niet begrijp hoe de bezoekers hier bij betrokken zijn geweest of nog zullen gaan worden, hetgeen op papier toch de bedoeling is. Zonder zulke initiatieven meteen de kop in te willen drukken, moet ik mijn twijfel bij het welslagen van dit deel van Cube wel uitspreken. Misschien ben ik hiervoor niet uit het juiste hout gesneden, maar tot op heden zag ik zelden work in progress in een museum dat ik werkelijk de moeite waard vond. Het TextielLab in het TextielMuseum in Tilburg kan natuurlijk als een gunstige uitzondering genoemd worden.

Ik sloot mijn bezoek na twee uur wat teleurgesteld en vooral zeer vermoeid af. Waarom putte Cube me zo uit, in plaats van dat het me verkwikte en inspireerde? In de eerste plaats lag dit aan de donkere ruimtes. Steeds maar in het donker turen naar oplichtende vitrines, filmpjes en lichtbeelden, en moeite doen om teksten te lezen, maakt – vrees ik – de meeste bezoekers sneller vermoeid en duf. Wat opwekkend daglicht zou al wonderen kunnen verrichten. Maar de vermoeienis werd toch vooral veroorzaakt door de presentaties, die alles willen behandelen en tegelijkertijd niets specifieks te melden hebben.

Concluderend kan gesteld worden dat Cube inderdaad geen traditioneel museum met mooie, aantrekkelijke producten is, dat er ook geen historisch verhaal verteld wordt en dat het haar bezoekers evenmin een blik in de toekomst van het design gunt. Tegelijkertijd is Cube beslist geen pretpark. Maar: is dit het gewenste dynamische centrum dat ons allen toont hoe de wereld is vormgegeven? Is dit het design centrum dat ons, haar bezoekers, daarbij kan betrekken?

Het is ook de vraag of Cube wel een museum wil zijn. Wil men in Kerkrade daadwerkelijk een collectie beheren? En zo ja, wat is dan haar verzamelbeleid? Zou het werkelijk lukken om de gewenste en voorspelde 200.000 bezoekers per jaar te trekken? De toekomst zal het leren; ik blijf geïnteresseerd.

Mienke Simon Thomas, 2016, senior conservator toegepaste kunst en vormgeving Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, Met dank aan mijn twee collega’s die mij bij dit bezoek aan Cube vergezelden, Nora Leijen en Marthe Kes. www.cubedesignmuseum.nl

References   [ + ]

1. Zuiderlucht. cultureel maandblad, nr. 12, december 2014.